Het is goed dat er breed wordt nagedacht over de rol van het onderwijs in een democratische samenleving. Want onderwijs is een fundamenteel recht, geschraagd door diverse internationale verdragen en de Belgische grondwet. Dit recht op onderwijs houdt niet enkel in dat kinderen onderwijs moeten genieten. Ze moeten er ook minimaal bepaalde dingen leren opdat hun recht op onderwijs gewaarborgd wordt. We kunnen de eindtermen dan ook begrijpen als de poging deze minimale inhoudelijke waarborg te vatten. Ook de kennis, vaardigheden en attitudes die we met een bepaalde kwalificatie willen verbinden, kunnen we zien als de uitdrukking van het recht van de leerling. De huidige brede bevraging zal allicht veel ideeën, wensen en verzuchtingen opleveren.
Het zal echter aan de overheid zijn om op basis van deze veelheid een werkbare selectie te ontwikkelen.

Zo kunnen we ter vergelijking naar Nederland kijken. Daar was men er in geslaagd de essentie van het basisonderwijs te vatten in 58 kerndoelen, waarvan 6 voor de Friese taal. Het Vlaamse basisonderwijs had tot vandaag nood aan 533 eindtermen en ontwikkelingsdoelen (202 voor het kleuteronderwijs en 331 voor de lagere school). Het is een goede zaak dat er werk gemaakt zal worden van een essentiële reductie.

Een grote omvang is immers om meerdere redenen niet zonder problemen. Eerst en vooral moeten we ons de vraag stellen of dit voor scholen en de leraar in de klas werkbaar is. Kan een onderwijzer de realisering van 331 eindtermen bewaken zonder daarbij het onderwijs en de leerlingen zelf uit het oog te verliezen? En laat dit de leraar toe op basis van de eigen visie en ervaringen enthousiast met leerlingen te werken? Goed onderwijs ontstaat door het werk dat gemotiveerde leraren individueel én samen realiseren.

Maar ook: laat dit grote aantal gedetailleerde eindtermen wel voldoende variatie toe? Voldoende ruimte voor de realisering van een eigen onderwijsvisie? Kan het anders dan dat het vastleggen van 533 doelen in zekere mate ook op arbitraire keuzes berust? Bij zo’n gedetailleerde lijst eindtermen kunnen immers steeds evenwaardige alternatieven geformuleerd worden, afhankelijk van de insteek waarvan men vertrekt. Bovendien is de mogelijke interferentie met een bepaalde onderwijspedagogische visie nooit ver weg. Als we dit vergeten, dan loert een contraproductieve standaardisering of beheersingsdwang om de hoek. Wat kan leiden tot een heilloze afvinkcultuur.

Daarom is het misschien nuttig om nog even in herinnering te brengen dat het Grondwettelijk Hof in 1996 het eerste eindtermendecreet vernietigde. Vooreerst omdat de daarin verwoorde eindtermen te omvangrijk en te gedetailleerd waren en zodoende niet als minimale doelstellingen konden beschouwd worden. Ze moeten voldoende ruimte laten voor het eigen pedagogisch project van de school (en daarmee aan de noodzakelijke diversiteit aan visies). Bovendien oordeelde het Hof, als bijkomende waarborg ten aanzien van de onderwijsvrijheid, dat er in een afwijkingsprocedure moest voorzien worden voor scholen met bijzondere pedagogische opvattingen.

Dit alles heeft er toe geleid dat er momenteel twee gelijkwaardige pakketten aan eindtermen door het Vlaams Parlement werden bekrachtigd. Beide bevatten de minimale inhoudelijke criteria, maar geen van beide valt ermee samen. Daarvoor verschillen ze iets te sterk van elkaar. Toch is een vergelijking interessant. Er valt een en ander uit te leren.
Zo kan ten aanzien van het basisonderwijs worden vastgesteld dat voor Nederlands en wiskunde de verschillen het kleinst zijn. De erin beschreven kennis en vaardigheden op het einde van de lagere school, lijken elkaar in grote lijnen te dekken. De ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor wetenschappen en techniek, mens en maatschappij en muzische vorming vertonen dan weer de grootste verschillen. Hier speelt de eigen onderwijspedagogische visie blijkbaar een veel grotere rol. Dat betekent dat de kans op arbitraire keuzes door de overheid hier veel groter is (twee afzonderlijke benaderingen zullen bv. redelijk verschillende eindresultaten opleveren).

Hieruit zou kunnen besloten worden dat niet alle eindtermen op een zelfde concreet resp. generiek niveau beschreven kunnen noch moeten worden.

Eindtermen beschrijven de minimale inhoudelijke criteria om zo mee vorm te geven aan het recht op onderwijs. Op deze wijze willen ze de minimale kwaliteit met betrekking tot de inhoud scherp stellen. Daarom zal het enerzijds erg belangrijk zijn dat de criteria waarmee de opbrengsten van het maatschappelijk debat geselecteerd zullen worden, helder, transparant en legitiem zijn. Anderzijds zal ook steeds in gedachten moeten gehouden worden dat de kwaliteit van het onderwijs hiermee slechts ten dele gevat wordt. Meer zelfs, niet alle kwaliteitsdimensies van onderwijs kunnen en hoeven in wettelijke normen gegoten te worden.
Het vormgeven van onderwijs vertrekt noodzakelijkerwijze vanuit een globale visie op onderwijs, mens en samenleving. In een democratische samenleving is er steeds een veelheid aan dergelijke visies werkzaam. Dat betekent ook dat er steeds een variatie en verscheidenheid zal zijn in wat onder kwaliteit wordt verstaan. Een goede steinerschool zal allicht kwaliteitskenmerken delen met een goede Freinet- of Don Bosco-school. Maar er zullen ook steeds belangrijke verschillen zijn. Tot in de inhoudelijke keuzes die scholen maken.

Bij het formuleren van eindtermen zal daarom steeds bewaakt moeten worden dat de noodzakelijke variatie aan kwaliteitsconcepten gewaarborgd blijft. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt uiteindelijk bij de Vlaamse regering en het Vlaams Parlement. Deze zullen immers bepalen welke selectie uit het ruime aanbod aan ideeën vastgelegd zal worden. Maar deze zorgzaamheid wordt best ook in het debat zelf meegenomen.

Hans Annoot, Beleidscoördinator Federatie Steinerscholen


meer dan 2 jaar geleden - Hans Annoot