De resultaten van de bevraging van het Vrouwen Overleg Komitee (VOK) bij haar leden:


Vraag 1: Wat moet elke jongere leren om deel te nemen aan de maatschappij van morgen?
1. Leerlingen moeten inzicht verwerven in hoe gender, sociale klasse, etniciteit, fysieke verschijning, levensbeschouwing en andere categorieën van verschil op elkaar inwerken en hoe ze doorwerken in individuele levens, sociale praktijken en instituties en tegelijk de machtsverhoudingen in een samenleving bepalen. In die optiek moeten leerlingen ook geïnformeerd zijn over en positief kunnen reageren in situaties van seksisme, homo- en transfobie, racisme en andere vormen van discriminatie.

2. Leerlingen moeten gevoelig zijn voor seksestereotypen en kritisch oordeelsvermogen ontwikkeld hebben ten aanzien van man/vrouw- clichébeelden in de maatschappij, in cultuuruitingen, op de sociale media, in de media, in hun didactisch materiaal (handboeken, audiovisuele en digitale middelen).

3. Leerlingen moeten geïnformeerd zijn over het ontoelaatbaar zijn van fysiek en/of verbaal geweld  en seksueel grensoverschrijdend gedrag in hun relaties algemeen, en in het bijzonder in de relaties M/V, meisje-jongen.

4. Leerlingen moeten geïnformeerd zijn over hoe en waar zij hulp kunnen krijgen in situaties van pesten, fysiek geweld zoals verkrachting, aantasting van de fysieke integriteit, slagen en verwondingen.

5. Leerlingen hebben een aantal zorgcompetenties ontwikkeld en hebben gereflecteerd over zorgverantwoordelijkheid en respectvolle  zorgrelaties.

6. Leerlingen hebben inzichten verworven over sociale netwerken en brede structuren van solidariteit, zorgverlening en sociale zekerheidsrechten. Zij moeten ook een basiskennis hebben van financiële geletterdheid om op eigen benen te staan.

7. Leerlingen hebben een goede kennis van de geschiedenis van feminisme , vrouwenemancipatie en de strijd voor gelijke rechten van vrouwen.

8. Leerlingen hebben inzicht in de bestaande socio-economische, maatschappelijke en culturele ongelijkheden, onder meer tussen mannen en vrouwen. Ze beseffen dat ze met eigen handelen kunnen bijdragen aan een meer inclusieve, rechtvaardige en vreedzame wereld.

9. Leerlingen hebben in hun studie-oriëntatie kennis gemaakt met een brede waaier van studiemogelijkheden en beroepen en hebben aanmoediging gekregen om voor roldoorbrekende studierichtingen te kiezen als deze aansluiten bij hun interesses en competenties.

10. Leerlingen staan open voor alle levensbeschouwingen en komen op voor respect en dialoog met betrekking tot andere levensbeschouwingen dan die waarin ze opgevoed zijn, in het bijzonder voor de positie van de meisjes die een hoofddoek dragen.

11.Leerlingen staan positief tegenover culturele/etnische diversiteit en hebben geleerd daar op een positieve manier mee om te gaan, zowel in hun persoonlijke relaties als op maatschappelijk vlak,  in het bijzonder in hun relatie tot meisjes/vrouwen van een andere etnische origine. Ze zijn ook vertrouwd met de waarden vervat in de mensenrechten en kinderrechten.

12. Leerlingen hebben kennis van en staan open voor allerlei soorten gezinsvormen en kunnen aanvaarden dat medeleerlingen in andere gezinstypes leven dan zijzelf.

Nog enkele bijkomende ideeën als antwoord op vragen 2 en 3
Vraag 2 : Wat moet elke jongere op school leren om zich persoonlijk te ontwikkelen?

1. Leerlingen hebben een inzicht in maatschappelijke evoluties, in het bijzonder de M/V verhoudingen in het gezin, privéleven, op de werkvloer.

2. Leerlingen hebben een kritische houding tegenover ideeën van normaliteit en specifiek tegenover stereotiepe gedragingen van mannen en vrouwen en kunnen zich inzetten voor het doorbreken van sekserolpatronen.

3. Leerlingen kunnen rekening houden met opvattingen en emoties van anderen.

4. Leerlingen aanvaarden en verwerken op een positieve manier hun seksuele ontwikkeling en de veranderingen die de puberteit met zich meebrengt, met bijzondere aandacht voor de verschillende ontwikkeling van meisjes en jongens, in respect voor elkaar.

5. Leerlingen zijn goed geïnformeerd over medische, psychische en sociale gevolgen van geboorteplanning, en zien het belang in van bewust, preventief handelen om risico’s van zwangerschap , HIV en Soa’s uit te sluiten.

Vraag 3: Wat moet elke jongere op school leren om later aan het werk te kunnen?

1. Leerlingen moeten zicht hebben op de diversiteit van de arbeidsmarkt en welke studierichtingen tot welke soort jobs leiden, met in het bijzonder de nadruk op roldoorbrekende studiekeuzes M/V en het niet automatisch koppelen van bepaalde jobs aan zogenaamd typisch vrouwelijke of mannelijke vaardigheden.

2. Leerlingen moeten gewapend zijn om constructief om te gaan met M/V verhoudingen op de werkvloer, en in het bijzonder moeten vrouwen op de hoogte zijn van diensten of mogelijkheden om klacht in te dienen of hulp te vragen in geval van seksuele intimidatie of agressie, of discriminatie omwille van hun geslacht.

Meer info: Vok.sdegraeve@amazone.be - www.vrouwendag

ongeveer 2 jaar geleden - Sofie De Graeve