Taal en maatschappij, burgerschap en cultuur zijn sterk met elkaar verweven. Nederlands speelt een onvervangbare rol in de persoonlijke ontwikkeling, het persoonlijke en maatschappelijke succes en de sociale cohesie. Omgekeerd heeft de samenleving in een veranderende wereld van kennis, wetenschap en technologie behoefte aan mensen met een degelijke en omvattende talige en literair-culturele geletterdheid. Daarom verdient Nederlands bijzondere aandacht in het onderwijs van de toekomst.

Alle leerlingen

Alle leerlingen hebben recht op gelijkwaardige vorming in talige en literaire competentie, op volwaardig onderwijs Nederlands. Vandaar het belang van een talig kerncurriculum met voor iedereen geldende competenties die verder per niveau en onderwijsvorm gedifferentieerd uitgewerkt moeten worden. In alle richtingen in het s.o. behoort Nederlands tot de kern, ook als ze zich richten op exacte wetenschap en technologie (cfr. STEM). Ook de leerlingen in het bso, waar de eindtermen/ontwikkelingsdoelen uit de jaren 90 – kennelijk vanuit een achterhaalde deficiëntieopvatting – een uiterste versmalling tot een te beperkte functionele taal- en informatievaardigheid vertonen, hebben recht op evenwaardig en volwaardig onderwijs Nederlands. Zo zouden ontwikkelingsdoelen niet wenselijke maar vereiste doelen kunnen worden. (Zie ook de blog van Ruth Lasters. 


Geletterdheid

In de meervoudige geletterdheid waar onze tijd behoefte aan heeft, staat talige geletterdheid centraal. Talige geletterdheid heeft te maken met drie grote functies. (1) De cognitieve of conceptualiserende functie: via taal greep krijgen op de werkelijkheid. (2) De communicatieve of sociale functie: communiceren met anderen (en zichzelf) en relaties met anderen aangaan. (3) De expressieve en affectieve functie: via taal de werkelijkheid beleven; gevoelens uiten, bespreken en verwerken. Met die drie functies zijn er nog andere nauw verbonden, onder meer de esthetische, religieuze of filosofische en metatalige functies.
De talige geletterdheid behoort ontwikkeld te worden zowel in het vak Nederlands, dat zijn eigen specifieke opdracht heeft, als in de andere vakken en leerdomeinen. Geletterdheid Nederlands dient immers ook gezien te worden als een belangrijke component van de vakoverschrijdende eindtermen, maar ze moet volgens ons tegelijk uitdrukkelijk in de eindtermen van elk leergebied of vak zelf worden verwerkt. (Voor de leesbaarheid gebruiken we hier de term 'eindterm'  voor zowel resultaatsgerichte eindtermen als inspanningsgerichte ontwikkelingsdoelen.)


Taalcompetentie bij het vak Nederlands

Bij de actualisering van de eindtermen voor het vak Nederlands moet veel meer dan voorheen aandacht zijn voor de onderlinge samenhang van de vaardigheidsdomeinen (spreken, luisteren, mondelinge interactie, schrijven, lezen), maar ook voor de samenhang tussen vaardigheden, kennis en inzicht en de attitudes. Vaardigheidsontwikkeling vergt bewuste kennis over taal en taalgebruik. Tegelijk moet kennis over taal en taalgebruik ook een bijdrage leveren aan de algemene sociale en culturele vorming, met vragen als: hoe zit taal in elkaar? welke regionale en sociale taalvariatie hebben we? welke functies hebben taalvariëteiten? welke normen, waarden, conventies worden via taal doorgegeven?
Attitudes die samenhangen met de taalvaardigheden en de bewuste kennis, moeten in de herziene eindtermen veel rijker uitgewerkt en omschreven worden dan het aspect 'bereidheid tot' waartoe ze nu veelal beperkt zijn: houdingen zoals overtuigd zijn van, plezier hebben in, belangstelling hebben voor, zich bewust zijn van, een houding aannemen tegenover, zich inspannen voor, … Het gaat er bijvoorbeeld om aandacht te besteden aan de kwaliteit van eigen of andermans taalgebruik, te reflecteren op eigen taal- en communicatiegedrag, onbevooroordeeld en met inzicht taalvarianten of de gebruikers ervan te benaderen, zich in te spannen om het passende taalregister te kiezen en juist te hanteren.

Zowel bij Nederlands als bij andere vakken moeten de eindtermen goed inspelen op de sociale en culturele diversiteit in ons onderwijs en de daarmee samenhangende taalvariatie: veel leerlingen hebben als moedertaal een andere taal (allerlei variëteiten van Nederlands, een vreemde taal) dan de onderwijstaal, waarbij de standaardtaal een bijzondere plaats bekleedt en speciale aandacht verdient. De recentelijk ingevoerde geactualiseerde eindtermen voor taalbeschouwing (2010 – 2014) besteden terecht aandacht aan het fenomeen van taalvariatie.


Taalcompetentie bij niet-taalvakken

Taal is in alle andere leergebieden en vakken op een dubbele in elkaar vervlochten wijze aanwezig: als medium en als doel. Taal is het medium bij uitstek voor vaardigheids- en kennisverwerving, voor begripsvorming en communicatie in alle leerdomeinen en vakken. Leerlingen moeten tegelijk ook de taal en de talige vaardigheden die daarbij horen, verwerven. We spreken in dit verband van vaardigheid in de cognitief-academische taal, met een ander woord de 'schooltaal'. In zulk taalregister wordt op een cognitief complexe, meer abstracte, gedecontextualiseerde manier gedacht en gesproken, met gebruikmaking van schrijftalige algemeen intellectuele of 'geleerde' woorden, schooltaalwoorden, vaktaalwoorden, alledaagse woorden met een andere betekenis. Daarbij ook dito uitdrukkingswijzen en formuleringen. Verder horen hier typische taalhandelingen bij als vakspecifieke begrippen benoemen, definities formuleren, uitleggen, vergelijken, conclusies trekken.
In zekere mate moet die cognitief-academische taalvaardigheid in het vak Nederlands worden verworven, en daarnaast ook heel specifiek in elk van de andere vakken. Van alle leraren wordt verwacht dat zij in hun vakonderwijs taalondersteunend (medium) en taalontwikkelend (doel) te werk gaan. Daarom ook is het van belang dat cognitief-academische taalvaardigheid uitdrukkelijk opgenomen wordt in de herziene eindtermen van elk van de leerdomeinen en schoolvakken. 


Literaire competentie

We citeren met instemming het Nederlandse 'Manifest Nederlands op school': "Het lezen van fictie en literatuur is niet alleen een plezierig tijdverdrijf, maar het bevordert ook een esthetische, emotieve, sociale, intellectuele en talige ontwikkeling. […] Meer dan andere teksten dwingen gedichten, verhalen, en romans leerlingen tot 'slow reading', concentratie en reflectie. Literatuur confronteert de lezer bovendien met de grenzen van het historisch en cultureel denk- en zegbare en stimuleert zo tot creativiteit, reflectie, empathie en kritiek.")  


Leerlijnen

Zowel bij de talige als de literaire competentie is er bijzondere aandacht nodig voor doorlopende leerlijnen vanaf het kleuteronderwijs tot aan het einde van het leerplichtonderwijs. De eindtermen moeten rekening houden met het ontwikkelingsniveau van de leerlingen door heel het traject heen. Bij het literatuuronderwijs kunnen de eindtermen voor het secundair onderwijs zich inspireren aan de zes leesniveaus ontworpen door Theo Witte, gaande van zeer beperkte tot zeer uitgebreide literaire competentie, met bijbehorende leeswijzen: belevend, herkennend, reflecterend, interpreterend, letterkundig, en academisch lezen. (T. Witte, Het oog van de meester, 2008) 


Specificiteit

Ook al dienen alle leergebieden en schoolvakken een bijdrage tot de taalvorming te leveren, het vak Nederlands blijft in het onderwijs van de toekomst een specifieke opdracht houden in basis- en secundair onderwijs. Tot die specificiteit behoren:
- de fundamenten van bewuste talige en literair-culturele geletterdheid;
- het receptief en productief verwerken van (talige) informatie en de daarbij horende strategieën;
- bewuste kennis over en inzicht in Nederlands, taal en communicatie, zowel de functionele kennis ten dienste van de taalvaardigheidsontwikkeling als de niet-utilitaire kennis die deel uitmaakt van de sociale en culturele ontwikkeling;
- ontwikkeling van bewuste literair-culturele competentie.


Herziene eindtermen

Zowel bij Nederlands als de andere vakken moeten de eindtermen Nederlands bij de herziening zo worden geformuleerd en gestructureerd dat het onderliggende concept, de samenhang tussen bij elkaar horende kennis-, vaardigheids- en attitude-elementen, en de niveaus en leerlijnen voor de gebruikers (leraren, leerplanmakers, auteurs van leermethoden) transparant en herkenbaar zijn en daardoor goed vertaalbaar in passende onderwijs-leeractiviteiten. Al te algemene, en daardoor vage en weinigzeggende formuleringen waarmee men alle kanten uit kan, dienen vermeden te worden.

Voor het Netwerk Didactiek Nederlands (NDN): 
Nora Bogaert, Carl Brüsewitz, Frans Daems, Ghislain Duchâteau, Riet Jeurissen, Jan Lecocq, André Mottart, José Vandekerckhove, Hilde Van den Bossche.

Zie verder:
Visietekst Netwerk Didactiek Nederlands
N. Bogaert & K. Van den Branden: Doelen voor taal op leerlingniveau
Plan Geletterdheid Verhogen

Op 15 april organiseert het Netwerk Didactiek Nederlands (NDN) aan de Universiteit Antwerpen een conferentie over het thema Bewust Taalvaardig

meer dan 2 jaar geleden - Netwerk Didactiek Nederlands